Het is het perspectief van een kind wat je aangeleerd wordt in zo’n gesloten gemeenschap. Dit is goed en dat is slecht. Zonder nuanceringen, zonder compassie en zonder empathie. Ik begrijp nu pas wat de weggewerkte anderen is aangedaan. Voor ons, toen ik er nog bij was, was iemand gewoon opeens verdwenen. Je hoorde alleen nog wat de grote baas daarover zei in zijn preken. En dat was niet best. Nu begrijp ik pas hoe sterk hij 'zijn' groep dacht te moeten beschermen tegen de waarheid over hemzelf.
Als je iemand toch nog tegenkwam moest je degene, die duister geworden mens, negeren en doorlopen. Ook hier was dat niet rechtstreeks gezegd, maar je wist wel precies wat je moest doen. Zo bleef de groep verschoond van twijfels over de grote baas.
Nu maak ik het ook zelf mee dat genegeerd, niet gegroet of afwerend gegroet te worden. Ik woon in een klein dorp (9000 inwoners) en de kans dat ik hen tegenkom is groot. Voor mij is het een nieuwe ervaring om met zoveel weerzin en angst gegroet te worden of helemaal niet. Toen ik er net uit was zocht ik vaak driftig naar een vorm om daarmee om te gaan. Zou ik ze wel groeten of juist niet, een blokje omgaan, ze uit de weg lopen? Ik wist het niet. Ik was geneigd om te kiezen voor hoe ik echt ben: hartelijk en open en dus te groeten vanuit liefde en ontspanning. Af en toe lukte dat en dan lopen ze me als zombies voorbij alsof ik lucht ben maar toch ook weer niet. Of ik word zeer zuinig en vluchtig gegroet. Soms lijkt het alsof ik hun hartkloppingen kan voelen. En dan gaat het vooral over mensen waarvoor ik veel deed, die ik liefhad en nog steeds liefheb. Met een oudere dame reed ik een periode bijna elke dag naar het ziekenhuis in de grote stad, zo’n 55 kilometer verderop, waar zij haar bestralingen kreeg tegen kanker. Nu keek zij weg en deed alsof ze me niet zag. Een ander, waar ik vier uur mee naar de randstad reed, zodat zij haar kleinkindje en dochter kon ontmoeten, dwaalde me in de plaatselijke Lidl ogenschijnlijk zogenaamd gedachteloos voorbij. Wauw, dat waren je ‘vrienden’. Nu zie ik dat we vooral ‘vriendjes’ waren van de grote baas, niet van elkaar. Hoewel ik nu, met een aantal wakker geworden mensen weer bevriend ben, wat we tijdens de groep ook waren, dus misschien komt het weer goed als zij ook wakker worden.
Zelf had ik ook weleens incidenteel iemand in het voorbijgaan te laat geregistreerd en liet het dan zo. Maar meestal groette ik toch. Daar was bijvoorbeeld een afvallige, zoals zij dan werden genoemd, die voorbij had gefietst. Ik stapte toen net uit de auto om een, aan de grote baas zeer trouw, medelid van de groep in de auto te laten en voor ik het wist had ik al hartelijk uitgeroepen: “Hee, hoi!” Ik schrok er zelf van en was bang voor de reactie en het verraad van mijn mede groepslid, die zeer trouw aan de grote baas was. Dat zij het zou verklappen en ik ook duister verklaard zou worden om mijn natuurlijke reflexen. Niet alleen het gedachtegoed, maar ook vriendschap is eigenlijk een soort illusie in zo’n groep. Gelukkig was het mijzelf vaak niet gelukt om de mensen die ik zo goed kende, te negeren.
Tegenwoordig word ik steeds milder naar hen. Hoe beter het met me gaat hoe meer compassie ik voor hen voel. Voor de mensen die de leiding over hun bestaan permanent hebben overgedragen aan die ‘grote’ baas. En tegenwoordig denk ik ook weleens; zou een groots wezen zoals bijvoorbeeld Jezus Christus, waar die ‘grote’ baas zo vaak de mond vol over had gehad, nou werkelijk een tussenpersoon zoals die 'grote' baas nodig hebben?